Holons: overtuigend model, maar wie bouwt het systeem?
Het stroomnet wordt niet beslist door jaargemiddelden. Het wordt beslist door kwartieren — de vijftien minuten op een koude dinsdag in januari waarop tienduizenden warmtepompen tegelijk aanspringen en honderden elektrische auto's thuis worden aangesloten na een werkdag. In die kwartieren bepaalt de zwaarst belaste transformator of er congestie is of niet. Of er een jaar wordt gewacht op een aansluiting of niet. Of er een nieuwe kabel moet komen of dat het net toch nog meevalt.
Dit is het vertrekpunt van Holons — lokale flex als oplossing voor netcongestie, een rapport van Auke Hoekstra en Zenmo Simulations. De kerngedachte: als we slimme apparaten niet alleen op energieprijs laten reageren maar ook op een lokale congestieprijs — een prikkel die alleen actief is wanneer de transformator boven 90% van zijn capaciteit dreigt te komen — dan kunnen EV's, warmtepompen en thuisbatterijen hun vraag uitsmeren over de stille uren. De piek daalt. Het net hoeft minder snel verzwaard. En dat scheelt, zo luidt de headline, circa €200 miljard aan maatschappelijke kosten tot 2050 ten opzichte van een wereld waarin apparaten wel op de handelsprijs reageren, maar niet op plaatselijke netschaarste.
Het rapport maakt een sterk argument voor de richting. De vraag is wat er nodig is om de richting werkelijkheid te laten worden.
Wat €200 miljard is, en wat niet
Het getal vraagt om precisie, want het klinkt definitiever dan het is.
De vergelijking in het rapport is niet tussen slim en dom. Het vergelijkt drie scenario's: NoFlex (apparaten reageren nergens op), MyFlex (apparaten reageren op de energieprijs en persoonlijke omstandigheden) en HolonFlex (MyFlex plus die lokale congestieprijs). De €200 miljard is het verschil tussen HolonFlex en MyFlex, niet het verschil met een wereld zonder slimme sturing. Wat MyFlex al doet, telt niet mee.
Het bedrag rust op twee grote posten: circa €155 miljard minder gemodelleerde congestieschade en €47 miljard minder netuitbreiding. Beide zijn scenario-uitkomsten. De congestieschade is een modelmatige welvaartsverliespost — geen factuur die ergens op een rekening staat, maar een berekening van capaciteitstekort maal benuttingsgraad maal een euro-per-megawattuurwaarde. De netkosten zijn afgeleid uit de verhouding tussen FIEN26-uitgaven en ETM-capaciteitsgroei, met aannames over afschrijvingstermijn en financieringskosten.
Dat maakt de €200 miljard niet onzinnig. Het legt een schaal bloot die de moeite van serieus onderzoek rechtvaardigt. Maar het zijn nog geen projectniveau-MKBA's met reproduceerbare kasstromen, een openbaar dataset en een gevoeligheidsanalyse voor de factoren die het meest bepalend zijn: deelname, nettopologie, congestieschadefactor, uitvoeringskosten en discontering. Wie het getal wil controleren, moet eerst de ETM-invoer, capaciteitsgrenzen en aannameketen zelf kunnen variëren.
Opvallend is ook wat de €200 miljard niet dekt: de bouwkosten van het holon-systeem zelf. Het rapport stelt de extra kosten van HolonFlex op verwaarloosbare marginale kosten bovenop een al volwassen MyFlex-omgeving. Dataverzameling, integratie van Home Energy Management Systems (HEMS), certificering, klantenservice, cyberweerbaarheid en geschilbeslechting worden dus niet afzonderlijk gekwantificeerd. Wie wil weten of holons per saldo goedkoper zijn dan kabels, moet die post nog invullen.
De faire conclusie: de richting — lokale coördinatie verlaagt pieken en kan dure verzwaring uitstellen — is stevig. Ze wordt ook buiten dit rapport onderschreven, door ACM in zijn behandeling van congestiemanagement en door Netbeheer Nederland in zijn scenario- en investeringswerk. De omvang van de besparing blijft een potentieel, geen vastgesteld bedrag.
Niet iedere netinvestering kan worden weggeflexed
Nog een precisering is nodig. De ongeveer €200 miljard modelwinst mag niet worden gelezen als €200 miljard aan geplande netinvesteringen die kan worden geschrapt. Het grootste deel bestaat uit vermeden congestieschade; ongeveer €47 miljard betreft minder netverzwaring. Dat onderscheid raakte in de publieke presentatie gemakkelijk uit beeld.
Ook de investeringsramingen van de netbeheerders bevatten posten waarop lokale vraagsturing weinig of geen invloed heeft. FIEN26 raamt voor 2026–2040 circa €212 miljard aan netto-investeringen in het elektriciteitsnet. Daaronder vallen het Net op Zee, vervanging van verouderde onderdelen, nieuwe aansluitingen en uitbreiding van verschillende netvlakken. Een lokale batterij voorkomt geen aansluiting van een windpark op zee en legt ook geen kabel naar een nieuwbouwwijk. De eerder geraamde circa €90 miljard voor het Net op Zee is bovendien scenarioafhankelijk: FIEN26 gaat uit van 30 GW wind op zee en raamt daardoor ongeveer €24 miljard minder dan FIEN24, dat met 38 GW rekende. Bij 40 GW loopt de rekening weer op.
Daarmee resteert niet één pot geld die holons eenvoudig kunnen laten verdwijnen. De relevante vraag is veel smaller: welk deel van de uitbreiding van het landnet kan door lokale coördinatie kleiner worden, later worden uitgevoerd of doelmatiger worden ontworpen? Netbeheer Nederland zelf schat het gezamenlijke dempingspotentieel van verschillende slimme systeemkeuzes tot 2040 op €9 tot €33 miljard. Het aandeel flexibilisering van kleinverbruikers bedraagt daarin €0,2 tot €4,4 miljard. Dat is niet rechtstreeks vergelijkbaar met Hoekstra's model — andere horizon, afbakening en aannames — maar het verschil in orde van grootte verdient uitleg.
Daar komt bij dat FIEN26 al enige flexibiliteit veronderstelt. Flexibele contracten, tijdsafhankelijke tarieven, slimme laadsturing en betere benutting van bestaande capaciteit zijn geen onbekende ideeën die in de officiële netplanning geheel ontbreken. Tegelijk stelt zowel FIEN26 als ACM dat deze mogelijkheden nog onvoldoende zijn ontsloten. De relevante meerwaarde van HolonFlex is dus niet flexibiliteit in plaats van een wereld zonder flexibiliteit, maar plaatselijke coördinatie bovenop de flexibiliteit die al wordt voorzien.
Flex of kabel is de verkeerde tegenstelling
De economische vergelijking verdient eveneens meer diepte dan een bespaarde euro aan netverzwaring tegenover een uitgegeven euro aan flexibiliteit. Kabels en batterijen zijn fundamenteel verschillende bedrijfsmiddelen. Een kabel ligt vaak zestig jaar of langer in de grond, wordt tegen relatief lage kapitaalkosten gefinancierd en kent beperkte exploitatiekosten. Een batterij heeft een kortere levensduur, vraagt vervanging en veroorzaakt bij iedere laadcyclus energieverlies.
Het Holons-rapport negeert dat laatste niet volledig. Het rekent voor batterijen met 90% round-trip efficiency en met een jaarlijkse afschrijving van €15 per kWh, gebaseerd op €200 per kWh, twintig jaar levensduur en financieringskosten. Dat maakt een eenvoudige kritiek dat de batterij gratis zou zijn onterecht. Maar het model beantwoordt nog niet de volledige levensduurvraag. Hoe vaak wordt de batterij gedurende de levensduur van de vermeden kabel vervangen? Welke vergoeding is nodig om flexibiliteit tientallen jaren beschikbaar te houden? Wat kosten degradatie, omvormers, onderhoud en contractering? En blijft de batterij ook op het beslissende kwartier beschikbaar wanneer zij tegelijk op de energiemarkt kan verdienen?
Aan de andere kant is HolonFlex niet synoniem met overal nieuwe buurtbatterijen plaatsen. Een aanzienlijk deel van de beoogde flexibiliteit zit in apparaten die om een andere reden al worden aangeschaft: EV-batterijen, laadpunten, warmtepompen en omvormers. Het enkele uren verschuiven van laden of verwarmen kan veel goedkoper zijn dan speciaal voor congestie opslag bouwen. De uitkomst hangt daarom sterk af van de lokale verhouding tussen reeds aanwezige flex, benodigde opslagduur en de kosten van de concrete netverzwaring.
Ook de verliezen moeten symmetrisch worden bekeken. Batterijen verliezen in het rapport ongeveer 10% per volledige laad-ontlaadcyclus. Zwaarder belaste kabels hebben eveneens meer verliezen: weerstandsverlies neemt toe met het kwadraat van de stroom. Een dikker net kan daardoor gedurende tientallen jaren energie besparen. Het Holon-model verwerkt de efficiëntieverliezen van flex-assets, maar bevat geen volledige AC-netberekening waarmee spanningsproblemen en de extra verliezen van een intensiever benut net systematisch worden gewaardeerd. Daardoor kan het voordeel van een hogere benuttingsgraad worden overschat. Omgekeerd zegt een hoog momentaan kabelverlies nog niet dat het jaarverlies enorm wordt: dat hangt af van hoe vaak en hoe lang de hoge belasting optreedt. Alleen een vergelijking met kwartierprofielen, lokale nettopologie en een gemeenschappelijke discontovoet kan hier uitsluitsel geven.
De MKBA energiehubs van CE Delft komt dan ook niet tot de algemene conclusie dat flexibiliteit of kabels altijd goedkoper zijn. De uitkomst verschilt per archetype en per lokale casus. Soms maakt een hub groei mogelijk tijdens de jaren waarin netverzwaring nog niet kan worden gerealiseerd. Soms blijft ook daarna minder uitbreiding nodig. In andere gevallen is structureel verzwaren doelmatiger. Dat is een minder spectaculaire conclusie, maar wel de juiste beslisregel.
Drie verschillende prijsprikkels
Het rapport is scherp over vaste time-of-use-tarieven: dezelfde klokuren gelden overal, terwijl lokale congestie per plaats en dag verschilt. Die kritiek klopt, maar zegt niet dat zulke tarieven hun doel missen. Een tijdsafhankelijk nettarief kan ook bedoeld zijn als eenvoudige, voorspelbare investeringsprikkel en als manier om netkosten eerlijker over piek- en dalgebruik te verdelen. Daarvoor hoeft het geen realtime congestie-instrument te zijn.
Voor incidentele, plaatselijke schaarste bestaan juist andere instrumenten, zoals congestiemanagement, capaciteitsbeperkingscontracten, redispatch en flexmarkten. Via het gezamenlijke platform GOPACS zetten Nederlandse netbeheerders zulke flexibiliteit al plaats- en tijdgericht in. Een holon hoeft die instrumenten dus niet te vervangen; het kan een lokale organisatie- en automatiseringslaag worden waarmee veel kleine apparaten eraan deelnemen.
Dat onderscheid voorkomt dat drie vragen door elkaar lopen. Een generiek nettarief verdeelt structurele kosten en geeft een langetermijnprikkel. Congestiemanagement koopt flexibiliteit op een specifieke plaats en tijd. Een holon organiseert de apparaten en deelnemers die daarop kunnen reageren. Of daarvoor een nieuwe dynamische tariefcomponent nodig is, of dat bestaande markt- en contractinstrumenten volstaan, is nog geen uitgemaakte zaak.
Nederland blijft een windland
Ten slotte heeft lokale uitwisseling een fysieke grens. De internetmetafoor suggereert dat energie zoveel mogelijk lokaal kan blijven, maar Nederlandse productie en vraag vallen niet in ieder seizoen lokaal samen. In zonrijke landen kan een combinatie van lokale zon en opslag een groter deel van het jaar transmissie vervangen. Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn sterker afhankelijk van wind, wind op zee, uitwisseling tussen regio's en internationale interconnectie. Een donkere, windarme winterweek laat zich niet oplossen door alleen binnen een wijk slimmer te schuiven.
Dat weerlegt holons niet. Lokale coördinatie kan pieken op distributienetten verminderen terwijl hogere netten stroom tussen kust, industrie, steden en buurlanden blijven vervoeren. Het corrigeert wel een te ruime belofte: een decentraal georganiseerd systeem maakt centrale infrastructuur niet overbodig. Het toekomstige net is waarschijnlijk én lokaal slimmer én op hogere niveaus omvangrijker. De economische vraag is opnieuw hoeveel van elk, waar en wanneer.
Het model kiest de perfecte grens; de werkelijkheid niet
De krachtigste aanname in HolonFlex zit in een detail: het model selecteert de collectieve transportgrens zo dat de laagst mogelijke piekbelasting resulteert. Dat is logisch voor een potentieelstudie — je wil weten wat er in principe haalbaar is. Maar een werkend holon heeft die vrijheid niet.
In de werkelijkheid vallen de sociale grenzen van een buurt zelden samen met de elektrische grenzen van een transformator of een feeder. Een straat bestaat uit meerdere leidingen. Gebouwen zijn op verschillende middenspanningspunten aangesloten. De transformator die vol zit bevindt zich misschien aan de rand van de buurt, terwijl de coöperatie die gevormd is een heel ander gebied beslaat. Bovendien is de berekening van beschikbare flex per transformator niet statisch: ze verandert met het seizoen, met de deelnamegraad, met de apparaten die nieuw zijn aangeschaft.
Dit lost zich niet vanzelf op. Iemand moet de grens elektrisch vaststellen. Iemand moet verifiëren of de geclaimde flex werkelijk beschikbaar is. Iemand moet definiëren wat er gebeurt als de levering tegenvalt.

Vijf lagen die tegelijk moeten werken
Het rapport schetst een uitvoeringsstructuur in vijf lagen, en elke laag roept een andere vraag op.
Netbeheerder
De netbeheerder identificeert de congestie, bepaalt de veilige netgrens en koopt geverifieerde flex in. Dat past binnen het huidige kader: ACM erkent capaciteitsbeperkingscontracten en redispatch als tijdelijke congestiemaatregel. Maar een holon voegt een laag toe bovenop wat nu al bestaat: een lokale prijsprikkel die voortdurend actief is, niet alleen als er al congestie is vastgesteld.
Lokale organisatie
Een coöperatie, een VvE, een verhuurder of een parkmanagementorganisatie werft deelnemers en vertegenwoordigt hen. Dit is democratisch aantrekkelijk, maar institutioneel complex. Wie gaat bepalen welk huishouden mee moet doen? Wat als een huurder niet wil? Hoe worden kosten en baten verdeeld als de ene buurman een batterij heeft en de andere niet?
Congestion Service Provider (CSP) / aggregator
De CSP contracteert, meet, plant, verrekent en staat financieel in voor levering of afwijking. Dit is de schakel die de lokale signalen vertaalt naar een aanbod dat de netbeheerder kan kopen. Maar de afrekenmodellen, de baselines en de aansprakelijkheid bij wanprestatie zijn nog niet uitgewerkt voor het holon-model.
Asset- en softwarelaag
Deze laag stuurt de apparaten aan. Hier ligt een onderschat probleem: interoperabiliteit. Een holon werkt alleen als de warmtepomp van merk A, de thuisbatterij van merk B en de laadpaal van merk C hetzelfde stuursignaal begrijpen en er betrouwbaar op reageren, zonder dat comfort of mobiliteit worden opgeofferd. Standaarden bestaan, maar de praktijk is versnipperd.
Publieke waarborg
ACM bewaakt tarieven en consumentenbescherming, de DSO netveiligheid, privacy- en cyberautoriteiten gegevens en beveiliging. Richtlijn 2019/944 geeft aanknopingspunten voor burgerenergiegemeenschappen, maar creëert geen automatisch recht voor een Nederlandse buurt om zijn net over te nemen. De Nederlandse uitvoeringskeuze — wie draagt welke plichten, wie betaalt de faalkosten — is minstens zo bepalend als de software.
Al deze lagen moeten tegelijk functioneren. Het rapport benoemt ze allemaal. Het bewijst nog niet dat ze samen werken.
Hessenpoort: wat we weten en wat niet
Hessenpoort in Zwolle is de meest concrete casus die het rapport aanhaalt: een bedrijventerrein met een ondernemerscoöperatie, een smart-energy-hub met wind, zon, een elektrolyser en waterstofopslag, en een pilot met een voorloper van groeps-ATO. Het is een reëel initiatief, met echte organisatoren en echte assets.
Maar de HOLON-website publiceert geen kwartiermetingen voor- en na de interventie, geen deelnemersaantal, geen gerealiseerde flex in megawatt, geen contractvorm, geen storingslog, geen onafhankelijke evaluatie. Dat zijn geen beschuldigingen. Pilots zijn er om te leren, niet om meteen complete datapakketten te produceren. Maar het betekent dat Hessenpoort bewijst dat de organisatorische ingrediënten bestaan — coöperatie, technologie, intentie — niet dat HolonFlex op schaal werkt en wat het kost.
Er is overigens ook een "bedrijventerrein holon" op de HOLON-website te vinden, compleet met een gedetailleerde beschrijving van non-firm ATO's en capaciteitsbeperkingscontracten. Op de pagina staat dat het een fictieve casus betreft: een leerzame sandbox. Dat is eerlijk — maar wie snel door de kennisbank browst, kan de indruk krijgen dat er meer bewijs is dan er is.
Een eerste serieuze toets vergelijkt minstens drie armen: bestaande CBC/redispatch, individuele dynamische prijssturing, en lokale coördinatie. Op fysiek geselecteerde feeders. Met gepubliceerde baselines en KPI's. Met een koude week en een communicatiestoring als stresstest. Pas dan verschuift een simulatorclaim naar aantoonbare netpraktijk.
De verdelingsvraag kan niet wachten
Er is een vraag die los staat van de techniek en die toch alles bepaalt: wie profiteert?
In het huidige model hebben eigenaars van een EV, een warmtepomp of een thuisbatterij de meeste sturing. Zij kunnen hun vraag verschuiven, flex leveren en beloond worden. Huurders, huishoudens zonder stuurbare assets, en mensen die geen tijd of kennis hebben om opt-in-papieren te lezen, kunnen wél meebetalen aan de digitale infrastructuur en de systeemkosten — maar kunnen minder terugverdienen.
Dat is geen reden om holons af te schrijven. Het is een reden om de verdelingsvraag te beantwoorden vóór opschaling, niet erna. Een minimaal eerlijk ontwerp vraagt om: gefinancierde deelname of een beloning die niet uitsluitend aan asset-eigenaarschap is gekoppeld; een standaardcontract met eenvoudig vertrekrecht; een transparant algoritme en auditlog; en bescherming tegen postcodeafroming waarbij goedkope stedelijke netdelen worden gebruikt ten bate van andere gebieden.
De Europese richtlijn vereist dat deelname aan een burgerenergiegemeenschap vrijwillig is, en dat leden hun klantrechten behouden. Dat zijn minimumeisen, geen garanties.

Wie bouwt het systeem?
Het rapport van Hoekstra en Zenmo is te goed om af te doen als lobbydocument. De simulaties zijn transparanter dan gebruikelijk. De aannames worden benoemd. De grenzen van het model worden erkend. De richting klopt: lokale coördinatie kan een deel van het duurdere en tragere alternatief — nieuwe kabels en transformatoren — beperken of uitstellen. Zij kan bovendien maatschappelijke schade verminderen gedurende de jaren waarin noodzakelijke verzwaring nog niet gereed is. ACM en Netbeheer Nederland ondersteunen die combinatiegedachte.
Wat het rapport niet bewijst, is dat de institutionele opbouw haalbaar is op Nederlandse schaal, in de tijdspanne die de energietransitie vraagt. Een simulator selecteert de optimale grens. Een holon moet hem onderhandelen, meten, contracteren en handhaven — in een omgeving van vrijwillige deelnemers, verouderd meetmateriaal, versnipperde software-eigenaren en een regelkader dat voor dit geval niet is geschreven.
De scherpste vraag is daarmee niet uitsluitend technisch. Eerst moet per lokale situatie aannemelijk worden gemaakt dat de combinatie van flex en verzwaring over haar hele levensduur goedkoper en betrouwbaarder is dan de alternatieven. Daarna volgt de institutionele vraag: wie bouwt de betrouwbare organisatie tussen het slimme apparaat en het publieke net? Een netbeheerder die zijn operationele rol uitbreidt? Een aggregator die op contractbasis flex levert? Een coöperatie die buurtgenoten organiseert? Een combinatie?
Die vraag beantwoorden vraagt om pilots die mislukken, leren en verbeteren. Om data die openbaar worden. Om governance die is uitgedacht voordat er geld over tafel gaat. En om een eerlijk antwoord op de vraag wat er gebeurt als een deelnemer zijn systeem uitzet op precies het verkeerde moment.
Het model is overtuigend. Het systeem moet nog worden gebouwd.
Bronnen
Holons-rapport en simulaties
- Holons — lokale flex als oplossing voor netcongestie — Hoekstra & Zenmo Simulations (2026) — Kernrapport met HolonFlex, MyFlex en NoFlex simulaties en de €200 miljard kostenvergelijking
Netinvesteringen en regulering
- FIEN26: Financieel Investeringsplan Energie — Netbeheer Nederland & PwC Strategy& (2026) — Raming van €212 miljard nettoinvesteringen 2026–2040
- Scenario's Editie 2025 — Netbeheer Nederland — Scenario's voor de energietransitie en netbehoeften tot 2050
- Afwegingskader verzwaren tenzij — Netbeheer Nederland — Methodiek voor de afweging tussen netverzwaring en flexibiliteit
- Congestiemanagement: stroompieken voorkomen — ACM — Regulatoire behandeling van congestiemanagement door ACM
- Investeringsplannen netbeheerders laten verbetering zien — ACM — ACM-oordeel over investeringsplannen en de resterende flexibiliteitsopgave
Energiehubs en flexibiliteit
- MKBA energiehubs — CE Delft (november 2025) — Maatschappelijke kosten-batenanalyse van energiehubs per archetype; uitkomst verschilt per lokale casus
- Visie energiehubs — Netbeheer Nederland (augustus 2025) — Positie van netbeheerders ten aanzien van lokale energiehubs
- GOPACS — platform voor congestiemanagement — Gezamenlijk platform van Nederlandse netbeheerders voor gerichte flexibiliteitsinzet
- Electricity 2026: Flexibility — IEA — Internationale context voor flexibiliteitsbehoeften bij groeiend elektriciteitsverbruik
Europees kader en praktijkcases
- Richtlijn (EU) 2019/944, art. 16–17 — Europees kader voor burgerenergiegemeenschappen en consumentenrechten
- Hessenpoort smart energy hub — HOLON — Praktijkcase van het eerste holon-initiatief op een bedrijventerrein in Zwolle
- Bedrijventerrein holon (sandboxcasus) — HOLON — Fictieve leercasus op de HOLON-kennisbank over non-firm ATO's en capaciteitsbeperkingscontracten